- - - - - - -

06 28442682

Bouwtermen

 

Aannemers woordenboek veel gebruikte bouw termen, bouwkundige termen. Overzicht. Bouwkunde.

A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z

A

  1. Aanlegbreedte   Bij een fundering op staal de berekende breedte van de fundering.

  2. Aanlegdiepte   De afstand van onderkant fundering tot aan het maaiveld.

  3. Aannemer   Bouwbedrijf dat tegen een vooraf overeengekomen prijs een bouwproject uitvoert.   De aannemer is degene die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het bouwproject. De aannemer wordt meestal gekozen door de architect of opdrachtgever, vooral om zijn specialisme, specifieke  mogelijkheden en (bouwkundige)praktijkkennis. Voor bepaalde  onderdelen zal de aannemer onderaannemers aanstellen, bijv. voor heiwerk.

  4. Aantrede   De afstand van de voorkant van een traptrede tot aan de voorkant van een volgende traptrede.

  5. Aanzetsteen   Een blok (meestal natuursteen of sierbeton) waarop bijvoorbeeld een boerenvlechting begint.

  6. Aardlekschakelaar   Schakelaar die de stroom automatisch uitschakelt bij gebreken aan ingebruik zijnde elektrische apparaten.

  7. Ademen   Het doorlaten van waterdamp van een materiaal.

  8. Afboeren   Het beschadigen of afbreken van een constructie bij bijvoorbeeld een oplegging van een stalen ligger op het metselwerk.

  9. Afreien   Het egaliseren van een wand of vloer door middel van een rechte lat.

  10. Afschot   Het onder een bepaalde helling leggen van bijvoorbeeld een  riolering of platdak, waardoor er een goede waterafvoer tot stand komt.

  11. Afsnuiten   Het verwijderen van de scherpe kanten van houtwerk.

  12. Afstandhouder   Een betonnen of kunsstof blokje dat ervoor zorgt dat de wapening in een betonconstructie de juiste dekking krijgt.

  13. Aftapkraan   Een kraan in de watermeterput waarmee men de waterleiding in huis kan aftappen.

  14. Alkoof   Een tussenkamer die als slaapkamer gebruikt wordt.

  15. Amoveren   Slopen, verwijderen.

  16. AMvB   Algemene Maatregel van Bestuur. Hierin is de nadere uitwerking van een Wet geregeld.

  17. Andreaskruis   Een X-vormig houten kruis dat bij houten vloeren in verband met de stabiliteit van de constructie tussen de balken wordt aangebracht.

  18. Arbouw   Stichting Arbouw is een kennisinstituut dat gericht is op het verbeteren van de arbeidomstandigheden in de bouwnijverheid en het terugdringen van het ziekteverzuim.

  19. Architect   De architect is deskungig op esthetisch en technisch gebied. Hij vertegenwoordigd de opdrachtgever tijdens het gehele bouwproces. Hij verzorgt bijv.: het ontwerp, maakt het bestek en tekeningen, stelt de kosten begroting op, verzorgt de aanbesteding (welke aannemer het werk gaat maken) houdt toezicht op de uitvoering, pleegt overleg met de verschillende instantie's.

  20. AVBB Algemeen Verbond Bouwbedrijf. Het overkoepelende orgaan van werkgeversorganisatie's.

A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z

B

  1. Badding    Een houten balkje van ca. 63 x 150 mm welke toegepast wordt  als hulpconstructie bij bijvoorbeeld bekistingen.

  2. Bakgoot    Een houten goot buiten de muur die is opgebouwd uit houten gootklossen, een bodem en een binnen- en buiten boeiboord.

  3. Balkdragende muur    Dit is een muur waar de uiteinden van een balk op rust.

  4. Balkdragers    Een gegalvaniseerd stalen hulpstuk waarin een balk wordt gelegd, zodat bijvoorbeeld balken tussen betonnen wanden kunnen worden bevestigd.

  5. Balkenvloer    Een systeemvloer die bestaat uit prefab (vooraf gefabriceerd)  betonnen balken die tegen elkaar gelegd worden.

  6. Balklaag    Stelsel van horizontale balken ter ondersteuning van vloerplanken of -platen, zolderverdiepingen enz.

  7. Balksteunende muur     Dit is een muur die dient als tussen steunpunt voor bijvoorbeeld een balk op drie steupunten.

  8. Ballonvorst     Een vorst (speciale pan t.p.v. de nok) die toegepast wordt bij pannen met een grote golf (Romaanse dakpan)

  9. Baluster     Een spijl waaruit een balustrade (hekwerk) is opgebouwd. Over de baluster loopt de leuning.

  10. Bebording     Het dakbeschot. Tegenwoordig bestaande uit plaatmateriaal voorzien van thermische isolatie.

  11. Bestek     Dit is de omschrijving van het te maken werk en de administratieve voorwaarden waaronder dit dient te gebeuren. De architect is degene die een bestek maakt naar aanleiding van de wensen van de opdrachtgever. Met bestek en bijbehorende bestektekeningen kan bij de diverse instantie's goedkeuring worden aangevraagd en een bouwvergunning worden verkregen.

  12. Bestektekening    Een technische tekening door de architect of aannemer gemaakt, waarop de plannen van de bouw of verbouwing zijn uitgewerkt. Hierop staan ook de gevels en de situatie van de woning ten opzichte van de openbare weg geschetst. Meestal wordt hiervoor een schaal van 1:100 gehanteerd.

  13. Bestemmingsplan     De Gemeenteraad stelt voor/vast bepaalde gebieden een bepaalde  bestemming te geven. Zonodig worden voorschriften uitgegeven wat er wel of niet bebouwd mag worden, of dit voor industrie, woningbouw of bijv. recreatie bestemt is.

  14. Betonopzetter     Een betonnen opzetstuk bij een houten paalfundering zodat de  bovenkant van de paal altijd onder de laagste grondwaterstand blijft. De opzetter is het verbindingsstuk tussen paal en funderingsbalk.

  15. Binnenbeglazing     Beglazing waarbij de ruiten aan de binnenzijde van het kozijn worden aangebracht. De sponninggen zitten dus aan de buitenzijde.

  16. Binnenboeiboord     Een opstaande plank die aan de binnenzijde van een goot-constuctie wordt aangebracht. Binnenboom De trapboom die tegen de muurzijde is aangebracht.

  17. Bitumen   Hete teer dat wordt gebruikt bij het waterdicht maken van platte daken.

  18. Bladlood    Rollen lood die gebruikt worden als waterkeringen in muren en boven kozijnen.

  19. Blauw pleisterwerk     Een afwerklaag op een muur die tevens dienst doet als ondergrond voor bijvoorbeeld behangwerk.

  20. Blindanker     Een haakanker dat, nadat het is aangebracht, niet zichtbaar is.

  21. Blinde muur     Een kopgevel waarin geen kozijnopeningen zijn aangebracht.

  22. Blokdeel     Houten element dat het spantbeen en de kreupele stijl bij het Hollandse spant met elkaar verbindt.

  23. Bloktrede     De onderste traptrede die om de hoofdbaluster loopt.

  24. Bodemafsluiting     Een 200mm dikke zandlaag die aangebracht wordt op de bodem van de kruipruimte om eventueel schadelijke dampen tegen te houden. Ook wordt wel 70mm stampbeton toegepast.

  25. Boeiboord     Een houten dakrand afwerking.

  26. Boerenvlechting     Een gemetselde afwerking van de hellende lijn, die bij een topgevel wordt toegepast.

  27. Bolrooster     Een bolvormig rooster tegen dat vuil en bladeren tegenhoud bij bijvoorbeeld hemelwaterafvoeren of schoorstenen.

  28. Boorstaat     Een staat waarop men kan zien welke grondsoorten op bepaalde diepte zit.

  29. Bordes     Een tussenvloer bij een bordes-trap. De trap wordt hierdoor onderbroken.

  30. Bouwbedrijf     Een bouwbedrijf dat bouwwerken uitvoert voor eigen rekening en risico, welke bouwwerken later worden verkocht.

  31. Bouwbemiddeling    Bij een meningsverschil met een NVOB-aannemer over de kwaliteit van het geleverde werk, kan de opdrachtgever bouwbemiddeling aanvragen bij het NVOB, Vervolgens wordt een bouwdeskundige ingeschakeld die actief zal meewerken om tot een oplossing te komen.

  32. Bouwbesluit     Dit is een AMvB (Algemene maatregel van Bestuur) waarin op grond van de Woningwet alle bouwtechnische voorschriften omtrent het bouwen zijn opgenomen. De technische voorschriften van het bouwbesluit is ingedeelt  in 4 categorieen, te weten:Veiligheid; Gezondheid; Bruikbaarheid; Energiezuinigheid / Duurzaam bouwen.

  33. Bouwtechnische eigenschappen    De eigenschappen die bepalend zijn voor de gedragingen van een materiaal wat betreft de sterkte, de stijfheid enz.

  34. Bouwen (begripsdefintie)     Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen  en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats.

  35. Bouw- en woning Toezicht     De Gemeentelijke instelling die de bouwplannen toetst aan het bestemmings-  plan en aan de bouwtechnische aspecten. Deze afdeling adviseerd B&W omtrent het afgeven van een bouwvergunning.

  36. Bouwrijp     Het bouwterrein verkeert in zodanige staat dat de aannemer kan gaan bouwen.

  37. Bouwvak    Onder het woord Bouwvak vallen alle beroepen die bij de realisering van een bouwproject komen kijken.

  38. Bouwvergunning     Door B&W afgegeven vergunning tot het plaatsen, vernieuwen of veranderen van een gebouw. De procedure voor het aanvragen van een bouwvergunning is vastgelegd in de   Woningwet. Er wordt onder meer beoordeeld of de aanvrager in zijn verzoek  ontvangkelijk is en naar de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. Het ontbreken van de afmetingen op de tekening kan bijv. Een reden zijn om de aanvraag niet ontvankelijk te verklaren. Bij de beoordeling wordt bijv. gekeken of de aanvraag niet in strijd is met het bestemmingsplan of de welstandseisen en bijv. Monumentenwet.

  39. Bouwverordening     Door de Gemeente vastgestelde verordening waarin de Gemeentelijke voorschriften omtrent het bouwen zijn vastgelegd.

  40. Bovenlicht    Een raampje dat open kan of vast afgescheiden glas dat zich boven een deur of raamkozijn bevindt.

  41. Bovenpan    Een speciale pan die boven aan het dak aansluitend aan de nokvorst wordt gelegd. Deze pan is aan de bovenzijde dichtgezet.

  42. Breedplaatvloer     Een plaatvloer bestaande uit ca. 50 mm dik gewapend, geprefabriceerde betonplaat die op het werk voorzien wordt van een betonlaag ter verkrijging van de juiste dikte. Ook wel bekistingsplaatvloer.

  43. Broekstuk     Een hulpstuk dat toegepast wordt bij het samenkomen van de vorsten, de hoekkeper en nok.

  44. Broodjesvloer     Een systeemvloer die bestaat uit Prefab betonnen balken met daartussen vulblokken.

  45. Bronbemaling     Bemalingsysteem voor het tijdelijk drooghouden van bouwputten.

  46. Buigijzer    Instrument waarmee de loodgieter koperen buizen buigt.

  47. Buitenbeglazing     De ruiten worden hierbij aan de buitenkant van het kozijn aangebracht. De sponning zit dan ook aan de buitenzijde.

  48. Buitenboeiboord     De opstaande plank die tegen de buitenzijde van de goot wordt aangebracht.

  49. Buitenboom     De trapboom die tegen de muur geplaatst wordt.

A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


C

  1. Cassettevloer     Een systeemvloer dia aan de onderzijde de vorm heeft van omgekeerde dozen.

  2. Cementraam     Minimaal 10 tot 12 lagen metselwerk in een fundering, waarvan 5 lagen boven het maaiveld. Dit metselwerk is van een betere kwaliteit en voorkomt optrekken van vocht.

  3. Chamottesteen     Speciale vuurvaste steen ten behoeve van bijvoorbeeld open haarden.

  4. Chaparonepan    Geknikte dakpan bovenaan een lessenaarsbalk.

  5. Combinatievloer     Een systeemvloer die bestaat uit Prefab betonnen balken met daartussen vulblokken (broodjes)

  6. Condensatie    Overgaan van waterdamp in water.

  7. Condensprofiel     Een aluminium profiel dat bij buitenkozijnen op de tussendorpel en de onderdorpel aangebracht wordt en waarin het glas wordt geplaatst.

  8. Consistiels     Stempels om bijv. een draagmuur bij het plafond op te vangen ter voorkoming van instorten. Na het sloopwerk van de muur wordt vaak een stalen balk ingebracht.

  9. Console    Vooruitstekende, een aan een kant ingeklemde balk die bijvoorbeeld galerijvloeren of balkons ondersteunt.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


D

  1. Dagkant     De binnenkant van een kozijn waarin de sponning is aangebracht.

  2. Dagmaat     De afstand tussen de twee dagkanten.

  3. Dakbeschot    Winddichte betimmering of beplating al dan niet voorzien van isolatie. Hierop rust de dakbedekking of de pannenconstructie.

  4. Dakdoorvoer     Een pijp welke door het dak gaat ten behoeve van ontluchting, ventilatie of roogas afvoer.

  5. Dakkapel     Een opbouw op een hellend dak waarin een raamkozijn is opgenomen.

  6. Daktrim     Een afwerkrand van het dak van aluminium of zink

  7. Daklijst    Geprofileerde lijst langs de dakrand ter versiering van de gevel.

  8. Dakopstand    Verhoogde rand rondom een plat dak.

  9. Dakvenster     Een in een hellend dakvlak opgenomen raamconstructie.    

  10. Dekvloer     De afwerklaag op een houten of steenachtige ondergrond.

  11. Deuvel     Een hardhouten ronde pen die toegepast wordt bij raam- en of kozijn verbindingen.

  12. Dilitatievoeg     Een open voeg. Deze voeg geeft de constructie de gelegenheid uit te  zetten of te krimpen zonder dat scheurvorming optreedt. De voeg kan gevuld worden met bijv. Een elastische kit.

  13. Dook     Een messing of koperen buisje dat de verbinding tot stand brengt tussen de houten stijlen van een deurkozijn en natuursteen neuten.

  14. Doorvoerpan     Deze pan wordt gebruikt als doorvoerkanaal t.b.v. afvoer rookgassen.

  15. Doosbouw     Bouwmethode waarbij compleet ingerichte eenheden in bijv. Een betonskelet aangebracht worden.

  16. Dosse     Gezaagd Hout wat evenwijdig gezaagd is aan de jaarringen.

  17. Drainage     Een systeem waarbij (grond)water afgevoerd wordt. We onderscheiden horizontale (buizen) en verticale (zandpalen) drainage.

  18. Drevel     Zie deuvel.

  19. Drieklezoor     Driekwart van een hele steen.

  20. Droge beglazing     Systeem waarbij de ruiten in een rubber-profiel worden geplaatst.

  21. Dubbele beglazing     Dubbele ruiten die fabrieksmatig aan elkaar verbonden zijn en waarbij de ruimte tussen de ruiten bestaat uit droge lucht, bijv.Thermopane.

  22. Dubbele ramen     Twee raamconstructie's die in of tegen een kozijn worden bevestigd.

  23. Dubo    Staat voor duurzaam bouwen, een vorm van bouwen waarbij milieu zoveel mogelijk ontlast wordt door het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke bouwmaterialen.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


E

  1. Erker     Een uitbouw van een woning, meestal voorzien van een borstwering en aan drie zijden voorzien van een raam constructie.

  2. Espagnolet     Sluitwerk dat bij tuindeuren of openslaande ramen toegepast wordt.

  3. Ezelsrug     Een schuin aflopende muurafdekking die vaak toegepast wordt bij tuinmuren.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


F

  1. Faecalien     De drekstoffen uit closetpotten.  

  2. Fijn schuurwerk    Afwerklaag voor wanden en plafonds, bestaande uit kalk, gips en zilverzand.

  3. Formeel     Een hulpconstructie die gebruikt wordt bij het metselen van bogen.  

  4. Freatisch vlak     De bovenkant van de grondwaterspiegel noemen we het freatisch vlak.  

  5. Fuikmethode     Verdrijvingsmethode bij spiltrappen.

  6. Fundering op staal     Een funderingsconstructie die de belasting rechtstreeks overbrengt op de vaste grondslag.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


G

  1. Geboorte     Het beginpunt van een boogconstructie.  

  2. Gebouw     Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte (begripsdefinitie) geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

  3. Gekantrecht hout     Hout dat aan 4 zijden rechthoekig is afgezaagd.

  4. Gelamineerde spanten     Spanten die vervaardigd zijn uit aan elkaar gelijmde planken.  

  5. Geschaafde of geploegde     Houten geschaafde delen die voorzien van messing en groef. delen (g.g. delen)  (holle en bolle kant die in elkaar schuiven)

  6. Geschifte steen      Een in de lengterichting horizontaal doorgezaagde steen.

  7. Gevelhaak     Een haak die toegepast wordt bij het opvangen van het bovenliggende metselwerk bij herstelwerk aan een fundering.

  8. Gevosteen    Bepaald soort kalksteen voor schoon buitenmetselwerk met ruw grijswit oppervlak.

  9. Gewapend metselwerk     Metselwerk waarbij in de lintvoegen wapening is opgenomen. (Horizontale voeg)

  10. GIW    Garantie Instituut Woningbouw. Koopt u een huis dat binnen een project gebouwd wordt, dan zal de NVOB-aannemer u meestal GIW-garantie bieden. U hoeft dan geen bouwgarantie meer af te sluiten. De kosten van GIW zitten over het algemeen in de totaalprijs. Bij verbouwen, renoveren of onderhoudswerkzaamheden krijgt u geen GIW.

  11. Glasdeur     Een houten deur waarin een groot glasoppervlak is opgenomen.

  12. Glasdicht     Een bouwfase waarbij de ruiten zijn aangebracht.

  13. Glaslat     Meestal een houten lat om het glas in het kozijn of deur vast te zetten. (Kan ook van aluminium of kunsstof zijn)

  14. Glassponning     De sponning waarin de ruit geplaatst wordt. Goot Meestal van PVC of zink gemaakte opvangbak/strook voor het afvoeren van regenwater wat van het dak / pannen afstroomd

  15. Gootbeugel     Bevestigingshaak of beugel ten behoeve van de bevestiging van de dakgoot.

  16. Gootsporen Houten balkjes die toegepast worden bij een overhangende goot- constructie. Deze balkjes lopen over de muurplaat tot aan de onderste gording.

  17. Gording     Houten balk waarop het dakbeschot van een hellend dak geplaatst wordt. De afmetingen van de gording volgen uit de berekening.

  18. Granol    Sterk sierpleisterwerk van meer of minder grover structuur.

  19. Gresbuis     Rioolbuis welke welke gemaakt wordt van vette klei en chamotte met een gladde en zeer harde afwerking.

  20. Grijs-watercircuit    Een milieuvriendelijk manier van watergebruik waarbij regenwater wordt opgevangen in grote bakken. Via een apart leidingnet kan dit water bijvoorbeeld gebruikt worden voor het doorspoelen van het toilet en het besproeien van de tuin.

  21. Griphoekanker     Verbindingsmiddel van gegalvaniseerd verzinkt staal waarmee men balken onderling loodrecht op elkaar verbindt.

  22. Grof schuurwerk    Afwerklaag van een specie van cement en metselzand.

  23. Grondverbetering     Verbetering van de grondgesteldheid om de draagkracht van de grond te vergroten.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


H

  1. Haaieind     Het uiteinde van de g.g. delen van het dakbeschot die op de hoek- kepers bevestigd worden of op eventuele vulstukken. De uiteinden worden dus niet op de gordingen bevestigd.

  2. Haakanker     Een stalen anker dat de balken van het dak of verdiepingsvloer aan de spouwmuur verbindt.

  3. Hakkelbout     Bout die vroeger veel gebruikt werd voor de onderlinge verbinding tussen paal en kesp.

  4. Halfspant     Het eindspant van een schilddak.

  5. Halfsteensmuur     Een muur die de dikte heeft van de breedte van een steen (ca. 110mm)

  6. Halfsteensverband    Metselwijze waarbij de stenen een halve steen per laag verspringen.

  7. Hanebalk     Een horizontaal aangebreachte houten balk in een spantconstructie die t.p.v. de nok aan de spantbenen en of makelaar bevestigd wordt.

  8. Hang- en sluitwerk    Scharnieren en andere draaimiddelen voor ramen, deuren, deurkrukken, raamsluitingen enz.

  9. Hart op hart (h.o.h)     De afstand vanaf het midden (hart) van de te meten plek tot het midden (hart) van de andere te meten plek.

  10. Heiregister     en staat van belangrijke gegevens die tijdens het heien van belang zijn.

  11. Hengst    Een in de lengte doorgehakte steen.

  12. Hemelwaterafvoer     Een vericale buis voor het afvoeren van regenwater van de daken/goten.

  13. Hoekkeper     De snijlijn van twee aangrenzende dakschilden die elkaar onder een uitspringende hoek snijden, hetgeen onder andere het geval is bij bij bijvoorbeeld tentdaken.

  14. Hoekkeperspant     Spant ter plaatse van de hoekkeper.

  15. Hoekspeer     Bijvoorbeeld bij stucwerk wordt de scherpe kant (bijv. kopkant muur) voorzien van een (aluminium-kunststof) hoekprofiel ter voorkoming van extra beschadiging en om een strakke afwerking te krijgen.

  16. Hollith     Een soort leisteen. Nadat het verhit is expandeert de leisteen. Dit  materiaal wordt nu gebruikt voor geluidisolerende vloeren.

  17. Hoofdwapening     De wapening in een betonconstructie die de trekkrachten, die in de  constructie ontstaan, opneemt.

  18. Houtskeletbouw     Een bouwmethode waarbij, met uitzondering van de fundering, de overige constructie-elementen van hout zijn.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


I

  1. Inkassing     Aansluiting tussen twee loodrecht op elkaar staande muren waarbij in de ene muur uitsparingen (van bijvoorbeeld 7 lagen) gemaakt zijn en in de andere muur een tand (ook van 7 lagen) aangebracht wordt

  2. Inklinken     In de loop der tijd zal het volume van de grond een dichtere pakking krijgen.

  3. Inwassen     Na het aanbrengen van tegelwerk wordt de voeg ingewassen met speciaalvoeg of zilverzand-cement.

  4. ISO    Een internationale kwaliteitsnorm. Aannemersbedrijven worden onder andere getoetst op de kwaliteit van het management, offertes, contracten, opleidingsbeleid en bedrijfsprocedures.

  5. Isolatieglas    Dubbele beglazing.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


K

  1. Kalenderen     Het tijdens het heien bepalen van het aantal slagen dat nodig is om de paal 250 mm in de grond te laten zakken of het opmeten van het hoogteverschil van een tocht. (= 30 slagen).

  2. Kalf     Tussendorpel van een kozijnconstructie.

  3. Kalksponning     Sponning aan een kozijnstijl t.p.v. het metselwerk. Deze sponning wordt met specie gevuld.

  4. Kanaalplaatvloer    Een vloer van betonnen vloerelementen.

  5. Kantelaaf     De negge van het kozijn.

  6. Kapplan     Een tekening waarin de kapconstructie duidelijk aangegeven wordt.

  7. Keerklep     Een klep die voorkomt dat water in een drinkwaterinstallatie terug- stroomt.

  8. Kiezelbak     Een bak die toegepast wordt bij een plat dak waarop een ballast- laag van grind is aangebracht. De afvoerpijpen sluiten hierop aan. Het grind kan niet in de afvoerleiding vallen.

  9. Kil     De snijlijn ter plaatse van een inspringende hoek in het dakvlak.

  10. Kilgoot     De goot die ter plaatse van de kilkeper wordt aangebracht.

  11. Kilkeper     De balk ter plaatse van de kil waarop de gordingen van het dak aan- sluiten.

  12. Kim     De opstorting ter plaatse van de wand op bijvoorbeeld een kelder- vloer.

  13. Klamp     Een houten plank die gebruikt wordt om bijvoorbeeld houten delen van een bekisting aan elkaar te bevestigen.

  14. Klamplaag     Een laag stenen op hun plat(zijkant steen) tegen een bestaande muur aangebracht wordt.

  15. Klang     Haak die gebruikt wordt voor de bevestiging van metalen gootbe- kledingen en metalen dakbedekkingen.

  16. Klapzand     Zand ten behoeve van straatwerk.

  17. Klezoor     Een kwart van een hele steen. De steen is in de breedterichting  doorgehakt.

  18. Klimlijn     De looplijn van een trap.

  19. Klimijzers     Ingestorte stalen staven die gebruikt worden als ladderconstructie.

  20. Klesoor, klezoor of klisoor     Een in de lengterichting verticaal doorgezaagde steen.

  21. Klezorenverband    Metselwijze waarbij de stenen een kwart steen per laag verspringen.

  22. Kloostersponning     Sponning aan de muurzijde in een kozijnstijl waarin een lichte scheidingswand geplaatst kan worden.

  23. Knelplank     Een plank die aan de onderkant van het rieten dak aangebracht wordt.

  24. Knijpdeel (zie knelplank)     Plank die het opwaaien en beschadigen van het riet bij de dakvoet voorkomt en tevens zorgt voor een goede afwatering van het dak.

  25. Knieschot      Een wandje dat bij hellende daken op de zoldervloer evenwijdig aan de muurplaat wordt aangebracht, waardoor de scherpe punt komt te vervallen. De ruimte tussen de muurplaat en het knie- schot kan gebruikt worden als bergruimte.

  26. Knipvoeg en snijvoeg    Opliggend voegwerk.

  27. Koekoek     Een uitgebouwde bak aan de kelderwand die ervoor zorgt dat het licht in de kelder kan toetreden.

  28. Koningsstijl     Een makelaar waar verscheidene spantbenen op uitkomen, bijvoor- beeld bij een hoekkeper en halfspanten.

  29. Kop    Een halve metselsteen.

  30. Kopgevel    De voorgevel van een huis.

  31. Koppelanker     Een anker dat balken, die in elkaars verlengde liggen, onderling verbindt.

  32. Koppenlat     Een lat waarop de koppenmaat staat aangegeven en die gebruikt wordt door de metselaar tijdens het metselen.

  33. Koppenmaat     De breedte van de steen + stootvoeg.

  34. Koppensnellen     Het op de juiste maat afzagen of afhakken van de paalkoppen bij houten of prefab betonnen palen.

  35. Koudebrug     Een verbinding in een constructie waarbij de kou van buiten naar de binnenzijde van de constructie geleid wordt, bijvoorbeeld door vul- specie in een spouwmuur.

  36. Kraal     Ronde afwerkrand bij zinken dakgoot.

  37. Kramplaat     Een metalen verbindingsmiddel dat gebruikt wordt bij houten spant- constructies. Een voorbeeld hiervan is de bulldog kramplaat.

  38. Kreupele stijl     Een houten balk die toegepast wordt bij een verbeterd Hollands  spant. Deze stijl brengt de belasting van het spant over op de vloerconstructie en voorkomt hiermee het spatten van de muur.

  39. Krimpnet     Een wapeningsnet dat scheurvorming ten gevolge van krimp- spanning in het beton voorkomt.

  40. Kruipgat     Een opening in een vloerconstructie waardoor men onder de vloer kan komen.

  41. Kruipruimte     De ruimte tussen de bodemafsluiting en de onderkant van de  begane grondvloer. De hoogte van deze ruimte dient minimal 500- 600 mm te bedragen.

  42. Kubel     Trechtervormig vat waarmee beton in de bekisting wordt gestort.

  43. Kuipstuk     Een verbindingsstuk tussen twee trapbomen van een bordestrap.

  44. K-waarde    Omgekeerde R-waarde. Geeft aan in welke mate warmte door een gevel kan verdwijnen. Hoe lager de K-waarde hoe beter.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


L

  1. Latei     Een balk van bijvoorbeeld beton of staal boven een kozijn die het metselwerk en de eventueel daarop rustende belasting boven een kozijn opvangt.

  2. Leihaak     Haak(messing) waarmee men de leien aan de dakconstructie be- vestigd.

  3. Leipan     Gebakken rechthoekige pan zonder zijsluitingen in de vorm van een lei.

  4. Lekdorpel     Een element dat onder een onderdorpel van een buitenkozijn wordt aangebracht om ervoor te zorgen dat het regenwater buiten het muurvlak wordt afgevoerd.

  5. Lepesteen     Een onder een willekeurige hoek afgehakte steen.

  6. Lessenaarsdak    Schuin dak, hellend in een vlak.

  7. Lichtkoepel     Een in een platdak aangebrachte bolvormige constructie die voor daglichttoetreding zorgt.

  8. Lintvoeg De horizontale (liggende) voeg in het metselwerk.

  9. Loggia     Overdekte galerij ter plaatse van een verdieping.

  10. Loket    Loodconstructie om een schuin dak waterdicht aan te sluiten op een schoorsteen of een hoger opgaande muur.

  11. Loodslab     Ten behoeve van een waterdichte aansluiting middels stroken lood.

  12. Loket     Lood dat gebruikt wordt voor de waterdichte aansluiting van een pannedak met een schoorsteendoorvoer of met opgaand metsel- werk.

  13. Loodvoeg     Een verticaal doorlopende voeg in het metselwerk.

  14. Looplijn     Zie klimlijn.

  15. Luifel     Een overkapping boven een inganspartij die beschutting geeft tegen de regen.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


M

  1. Maaiveld     De bovenkant van de grond van het terrein. Dit ligt meestal +/- 150 mm onder de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer.

  2. Maisonette     Een galerijwoning waarbij woon- en slaapkamer elk op een afzonder- lijke verdieping liggen.

  3. Makelaar     De verticale balk die aan de bovenzijde van het verbeterd Hollands spant de verbinding vormt tussen de twee spantbenen.

  4. Mantelbuis     Een buis die in steenachtige wanden wordt aangebracht waardoor leidingen gevoerd worden. Deze buis heeft een grotere diameter dan de doorgevoerde leidingen zodat de leiding vrij in deze buis kan  werken.

  5. Mastiekdak     Een dakbedekking waarbij de onderlinge hechting van de dakbedek- king met behulp van warme mastiek plaatsvindt.

  6. Mastiekrib     Een plank die toegepast wordt bij de opstand van het platte dak. Deze plank wordt tegen het buitenboeiboord en op het dak (bijvoor- beeld onder een hoek van 45 graden) aangebracht.

  7. Mastgoot     Een halfronde goot. Deze goot wordt in zink en PVC uitgevoerd.

  8. Mastenplan     Een plattegrond waarin een complete maatvoering van muurope- ningen, muurdammen enz. Is aangebracht.

  9. MBV     Modelbouwverordening.

  10. Meer- en minderwerk    Meerwerk is extra werk voor de aannemer, dat van tevoren niet begroot is. U besluit bijvoorbeeld tijdens de verbouwing dat het handig is om een extra stopcontact in de keuken te laten aanleggen. Vraag de aannemer altijd vooraf wat het meerwerk u gaat kosten en of het consequenties heeft voor de oplevering. Minderwerk is werk dat wel begroot is, maar dat komt te vervallen. U vindt het bijvoorbeeld bij nader inzien toch overbodig om een tweede wastafel in de badkamer te laten plaatsen. Ook hier geldt, vraag de aannemer altijd vooraf hoeveel geld u voor het laten vervallen van bepaalde werkzaamheden terugkrijgt.

  11. Moerbalk     Balk die wordt aangbracht onder de houten balklaag om de over- spanning van de houten balken te verkleinen.

  12. Montagekozijn     Een buitenkozijn dat in de afbouwfase aangebracht wordt. Het kozijn wordt bevestigd tegen een stelkozijn.

  13. Muizetrap     Een vallende tand die men bij wildverband over meer dan vijf lagen moet zien te voorkomen.

  14. Muurkruising     Twee muren die elkaar onder hoek snijden.

  15. Muurontmoeting Twee muren die elkaar onder een hoek ontmoeten.

  16. Muurplaat     Een houten balk die op zijn plat op de muur wordt gelegd en  waarop bijvoorbeeld het dakbeschot, gootbeugel enz. Bevestigd wordt. De balk ligt vaak gelijk met de buitenzijde van de muur.

  17.  Muurverzwaring     Een plaatselijke verdikking van de muur door middel van metsel- werk.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


N

  1. NAP     Normaal Amsterdams Peil.

  2. Natte beglazing     Een beglazingssysteem waarbij de ruiten met stopverf of kit worden vastgezet.

  3. Natuurlijk talud     De hoek waaronder ontgraven grond uit zichzelf blijft staan.

  4. Negatieve kleef     De belasting die op een funderingspaal ontstaat doordat de omliggende grond aan de paal gaat hangen.

  5. Negge     De afstand van de buitenkant van het metselwerk tot aan het kozijn.

  6. NEN     Uitgegeven NORM door het Nederlandse Normalisatie-Instituut. (begripsbepaling)

  7. Neut     Het onderste gedeelte van een houten kozijstijl dat vervangen wordt door natuursteen. Het natuursteen voorkomt dat vocht in de onder- zijde van de stijlen kan optrekken.

  8. Noest Kwast.     Norm Een document, uitgegeven door een deskundige, onafhankelijk (begripsbepaling) instituut, waarin wordt omschreven aan welke eisen een bouwmateriaal,  bouwdeel, of bouwconstructie moet voldoen dan wel waarin een omschrijving wordt gegeven van een keuring-, meet- of berekenings- methode.

  9. Nok    Horizontale aansluiting tussen twee hellende dakvlakken.

  10. NVB     Nederlandse Vereniging van Bouwondernemers. Vereniging van  Bouwbedrijven die geen aannemer zijn maar die voor eigen risico bouwen.

  11. NVOB     Nederlands Verbond van Ondernemers in de Bouwnijverheid. Een algemene aannemersvereniging waar iedere bouwonderneming lid van kan zijn. Tot de vereniging behoren vooral de kleine- en middelgrote bedrijven in de sector B & U.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


O

  1. Omgekeerd dak     Een dakconstructie waarbij de isolatielaag op de waterdichte afwerking is aangebracht.

  2. Onderaannemer     Bedrijf dat in opdracht van de aannemer onderdelen van een bouwwerk uitvoert.

  3. Onderpan     Een pan die wordt toegepast om de ruimte aan de onderzijde van het dak tussen het dakbeschot en de pannen af te sluiten.

  4. Ondersabelen     Het opvullen van de ruimte tussen de voetplaat van een stalen kolom en de betonconstructie met een metselspecie. Men spreekt ook wel van onderkouwen.

  5. Onderslagbalk     Zie moerbalk.

  6. Ontstoppingsstuk    Een afsluitbaar deel van de riolering dat dient om eventuele verstoppingen te kunnen verhelpen.

  7. Opdekdeur     Een vlakke deur die aan de bovenzijde en aan de twee zijkanten een sponning heeft. De deur heeft een dubbele aanslag, namelijk 1 in de sponning van het kozijn en 1 in de sponning van de deur tegen het kozijn.

  8. Opgaand metselwerk    Metselwerk waartegen een hellend of plat dag aansluit.

  9. Opgeklampte deur     Een uit een houten raamwerk samengestelde deur waarop bijvoorbeeld schroten zijn aangebracht.
    Oplanger Zie betonopzetter.

  10. Optrede     De afstand van de bovenkant van een trede tot de bovenkant van de volgende trede.

  11. Optrompen     Het wijder maken van een buiseind waardoor een andere buis met dezelfde diameter in dit buiseind geschoven kan worden.

  12. Opzichter     De architect kan niet altijd op de bouwplaats aanwezig zijn. Om goed toezicht te houden op een correcte uitvoering stelt de architect een opzichter aan. De opzichter is in dienst van de opdrachtgever of architect.

  13. Overstek     Overhangende gedeelte van het dak. Bij oudere huizen is hier vaak de goot in geintegreerd. Bij dakkapellen is dit het gedeelte wat nog iets doorloopt over het kozijn en zijwangen.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


P

  1. Panlat    horizontale dunne lat waaraan de dakpannen worden gehangen.

  2. Penant     gemetseld, uitspringend deel van een muurvlak ter versteviging van de muur of om het gewicht van een balk te dragen.

  3. Pielmannetje     afstandslatje tussen betonbekistingen.

  4. Poer     verzwaarde voet van een kolom of balk.

  5. Polystyreen (PS)    piepschuim of Tempex.

  6. PUR     polyurethaanschuim. Hard isolatie schuim.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


R

  1. Raamdorpelsteen     Een keramische lekdorpel die toegepast wordt bij de onderdorpel van een buitenkozijn.

  2. Rabatdeel     Houten deel met messing en groef en een profilering dat onder andere voor schuttingen gebruikt wordt.

  3. Rachel / tengel     Houten lat waaraan (gipsplaten) plafonds aan worden bevestigd.

  4. Raveling     Een constructie voor het opvangen van houten balken rond een gat in een balklaag. (Bijv. bij een trappengat)

  5. Revisietekening     Een tekening die gemaakt wordt zodra een bepaald onderdeel op het werk gereed is. Dit gebeurt om eventuele afwijkingen van het oor- spronkelijke plan vast te leggen.

  6. Rietvorst     Een dakpan die bij een rieten dak als nokafwerking wordt toegepast.

  7. Riftvloer     Een strokenvloer van bijvoorbeeld Oregon-pine dat kwartier- of riftge- zaagd is. Risicoregeling Een regeling waarin de verrekening van wijzigingen in de lonen- en materiaalprijzen is vastgelegd.

  8. Roeden    Kleine latjes die een glasvlak onderverdelen.

  9. Roeflat     Een lat voor het bevestigen van een zinken dakbedekking. Deze lat loopt van de nok naar de goot. De dakbedekking moet vrij kunnen werken.

  10. Roldeur    Een deur die voor garages wordt gebruikt.

  11. Rollaag     Een gemetselde laag stenen die rechtop geplaatst wordt.

  12. Rooilijn     De uiterste bebouwingsgrens die niet overschreden mag worden.

  13. Ruiter     Een smalle balk bovenop de nokgording of hoekkeper voor de beves- tiging van de vorsten.

  14. R-waarde    Het getal dat de warmteweerstand van een gevel aangeeft. Hoe hoger de R-waarde hoe beter.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


S

  1. Schakelpaal     Een heipaal, bestaande uit prefab betonnen elementen, die tijdens het heien met elkaar verbonden worden.

  2. Scheluw     Materiaal dat scheef/krom getrokken is door vocht of droogte.

  3. Schilderwerk    De schilder verft onderdelen van een gebouw of constructie om het te beschermen tegen corrosie, weersinvloeden en andere agressieve vormen van aantasting van de ondergrond.

  4. Schoonwerk metselwerk     Metselwerk dat in het zicht blijft en dus uit onbeschadigde stenen moet bestaan en zorgvuldig moet worden gevoegd.

  5. Schoorpaal Een schuin in de grond aangebrachte paal. Schoperen Het spuiten van zink op een vooraf blank gestraalde staaloppervlakte.

  6. Schotelanker     Een anker dat dient om een houten balklaag met een steensmuur te verankeren. Dit anker is in de gevel zichtbaar (ziende anker).

  7. Schrobput     Een put die men aanbrengt in een stenen vloer. In deze put zit een emmer die voorkomt dat er te veel vuil in de riolering terechtkomt.

  8. Schuine strek     Een rollaag waarbij de stenen onder een bepaalde hoek aangebracht worden.

  9. Schulpen     Overlangs zagen van hout.

  10. SFB-groep Sociaal Fonds voor de Bouwnijverheid. Een uitvoeringsinstantie (UVI) welke de administratie voert voor de uitvoering van de wettelijke verplichte sociale verzekeringen voor werkers in de bouwnijverheid.

  11. Sheddak     Een dak dat de vorm heeft van zaagtanden. Dit wordt vooral toegepast  in fabrieksruimten.

  12. Sifon     Een stankafsluiter, die berust op het feit dat een waterslot een pijp luchtdicht afsluit.

  13. Skeletbouw     Een bouwsysteem waarbij de draagconstructie bestaat uit een stalen, betonnen of houten skelet.

  14. Slaper     Een balk die bij o.a. een dakkapel toegepast wordt en die de gordingen, die doorgezaagd zijn, op moet vangen.

  15. Sleutelstuk     Een hardhouten ondersteuningsconstructie die toegepast werd om  balken die stuik tegen elkaar werden gezet aan de onderzijde te on- dersteunen. Indien het sleutelstuk ook nog met schoren ondersteund wordt, noemen we dit een stanvink.

  16. Slof     Een houten ligger die bij het verbeterd Hollands spant de belasting uit de krupele stijl overbrengt op de vloer. Deze slof wordt ook toegepast als de spanten haaks op de overspanning van de balken staan.

  17. Slopen (Amoveren)     Het afbreken van een bouwwerk of een gedeelte daarvan. (begripsdefinitie)

  18. Sluitsteen     De middelste steen bij een gemetselde boogconstructie.

  19. Smeerlatje     Latje dat de dikte heeft van de stuclaag en dat aan de binnenzijde van het kozijn in een sponning aangebracht wordt.

  20. Smeltpatroon     Een beveilinging in een elektrische installatie tegen oververhitting ten gevolge van een hoge stroomsterkte.

  21. Smetplank     Plank waarop de leuning aan de muurzijde bevestigd wordt. Deze  plank voorkomt het vuil worden van de muur.

  22. Sonderen     Het in de grond drukken van een conus waarmee men o.a. de draag- kracht van de grond bepaalt.

  23. Souterrain     Een kelder die gedeeltelijk boven het maaiveld uitsteekt en die meestal voorzien is van een koekoek.

  24. Spaarboog     Een boog in het metselwerk waarmee men vroeger o.a. de afstanden tussen de pijlers in een fundering overbrugde.

  25. Spatkrachten     Zijdelingse krachten in een kapconstructie waardoor het dragende metselwerk naar buiten zou willen wijken.

  26. Spatpen     Een pen van +/- 10 mm die o.a. in een hoek van een raamconstructie, die bestaat uit een gesloten pen- en gatverbinding, wordt toegepast om het kromtrekken van de bovendorpel te voorkomen en om geen doorgaande naad te krijgen.

  27. Spatten     Het bezwijken van de bekisting van een betonconstructie ten gevolge van de zijdelingse druk van het beton.

  28. Speciebrug     Een laag specie (vulspecie) in een spouwmuur waardoor er een ver- binding ontstaat tussen het buiten- en binnenblad (zie ook koudebrug).

  29. Spiegelstuk     Aftimmering van het trappengat.

  30. Spil     Een staander waaraan de trapboom, de traptreden en de leuningen bevestigd worden.

  31. Sporenkap     Een kapconstructie waarbij vanaf de nok tot de dakvoet houten balken (de sporen) lopen.

  32. Spouwanker     Een verzinkt stalen anker, dat het binnen- en buitenspouwblad met elkaar verbindt.

  33. Spouwlat     Een lat in een spouw waaraan het kozijn bevestigd is. Hierdoor zit het kozijn in de kozijnopening opgesloten.

  34. Spouwmuur     Een muur bestaande uit een binnen- en buiten(spouw)blad die door een luchtlaag gescheiden zijn. Het binnen- en buitenblad hoeven niet van  hetzelfde materiaal te zijn.

  35. Staande tand     Een tijdelijke verticale beeindiging van een gedeelte van een gemetselde muur.

  36. Staarbalk     Balk die aansluit op een raveelconstructie. Deze balk wordt opgevangen door het raveelhout.

  37. STABU     Stichting Standaardbestek van de Burger- en Utiliteitsbouw.

  38. Stampbeton     Ongewapend beton dat vroeger voor funderingen gebruikt werd en tegen- woordig voor de werkvloer en/of de bodemafsluiting.

  39. Staltonlatei     Een latei die bestaat uit gebakken stenen (staltonstenen) waarin wape- ning is aangebracht.

  40. Standvink     Een ondersteuningsconstructie bij bijvoorbeeld bekistingen (zie ook  sleutelstuk).

  41. Steekspant     Een spantconstructie die bestaat uit spantbenen, makelaar en trekplaten. Bij een eenvoudig steekspant worden alleen spantbenen en trekplaten  toegepast of rusten de spantbenen rechtstreeks op de zolderbalklaag.

  42. Steensmuur     Een muur die de dikte heeft ven de lengte van de steen (+/- 210 mm).

  43. Stekeind     Wapeningsstaven die men uit de beton laat steken om later met het daar- op aansluitende constructieonderdeel een goede verbinding te krijgen.

  44. Steldorpel     Een lat die de stijlen van een binnendeurkozijn tijdens het stellen op  de juiste onderlinge afstand van elkaar houdt.

  45. Stelkozijn     Een raamwerk dat tijdens het metselen in de muuropening wordt aan- gebracht en waartegen men later (in de afbouwfase) het montageko- zijn (het eigenlijke kozijn) plaatst.

  46. Stelpost     Indien de keuze van de opdrachtgever nog niet exact bekend is, bijv. welk merk en type materiaal hij uiteindelijk wil, wordt er een stelpost opgenomen. Na afloop wordt het opgenomen en werkelijk bestede bedrag verrekend.

  47. Stijf dakvlak     Een dakvlak dat in 1 richting (loodrecht op het dakvlak) kan vervormen. De krachten evenwijdig aan het dakvlak worden door het stijve dak- beschot naar de muurconstructie afgevoerd.

  48. Stijve dakbedekking     Een dakbedekking die geheel rust op de ondergrond.

  49. Stofdorpel     Dorpel die tussen de stijlen van een binnendeurkozijn wordt aange- bracht. Aan weerszijden van de dorpel laat men de vloerafwerking  aansluiten.

  50. Stolpnaald     Een hardhouten lat die bij openslaande tuindeuren of openslaande  ramen (dus zonder tussenstijl) op het rechter draaibare deel wordt aan- gebracht om een goede water- en tochtdichte aansluiting te krijgen.

  51. Stompe deur     Een binnendeur die geheel in de sponning van de kozijnstijl sluit.

  52. Stootbord     Het verticale deel tussen twee traptreden.

  53. Stootvoeg     De verticale voeg in het metselwerk.

  54. Stortnaad     Een tijdelijke onderbreking van de betonstort.

  55. Storpaal     Een funderingspaal die in de grond vervaardigd wordt. Strek De lengte van een steen.

  56. Strek    Een hele metselsteen.

  57. Strijkbalk     De eerste balk die met de muur evenwijdig loopt. De afstand van de muur tot aan de balk is +/- 50 mm.

  58. Strijkbalkanker     Een anker dat loodrecht op de richting van de balken is aangebracht en dat ervoor zorgt dat de buitenmuur, die evenwijdig loopt aan de  balklaag, niet zal gaan spatten.

  59. Stroomlaag     Een schuin gemetselde rollaag die men toepast indien een muur onder een van tevoren gestelde balk moest aansluiten. De metselaar drukt de rollaag stijf tegen de onderkant van de balk aan.

  60. Stuit     De heipaal staat op de juiste diepte en heeft tevens de vereiste paal- puntweerstand. Systeemlijn Een stramienlijn.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


T

  1. Taatsraam     Een raam waarbij de scharnieren aan de onder- en bovendorpel zijn bevestigd.

  2. Tengel     Een lat die tussen het dakbeschot en de panlatten wordt aange- bracht. Deze lat loopt van nok naar dakvoet en zorgt voor voldoende ventilatie onder de pannen.

  3. Theodoliet     Een meetinstrument waarmee men o.a. zeer nauwkeurig hoeken uit kan zetten. Dit instrument wordt gebruikt voor het uitzetten van  bouwwerken.

  4. Thermische isolatie    Warmte-isolatie. Tocht Een serie van 30 slagen op een heipaal. Zie ook kalenderen.

  5. Tochtstrip     Profiel van bijvoorbeeld aluminium met rubber dat aangebracht wordt bij draaibare buitenramen en deuren om een tochtvrije constructie te maken.

  6. Tongnaald     Een constructieonderdeel dat toegepast wordt bj de aansluiting van twee draaiende deuren.

  7. Topgevel    Driehoek metselwerk van de kopgevel.

  8. Trapboom     Een trapboom draagt de traptreden. We onderscheiden een binnen- en een buitenboom.

  9. Trasraam     De verouderde benaming voor een cementraam. Vroeger werd dit gemetseld met trasmortel. Tegenwoordig met portlandcementspecie.

  10. Trekplaat     Horizontale plaat, die bij de verschillende spantconstructies wordt toegepast om de spatkrachten op te vangen.

  11. Tuimelraam     Een raamconstructie waarbij de scharnieren in beide stijlen aange- bracht zijn waardoor het bovenste gedeelte van het raam naar  binnen draait en het onderste gedeelte naar buiten.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


U

  1. UAV     Uniforme Administratieve Voorwaarden. Voorwaarden voor de uitvoering van werken. Deze voorwaarden worden veelal door de architect van toepassing verklaard in het bestek.

  2. Uilebord     Een klein driehoeking bord waarin zich een luchtgat bevindt en dat ter plaatse van de ontmoeting van de nok en de hoekkeper werd aange- bracht. Vooral bij rieten daken van boerderijen werd dit toegepast. Tegenwoordig past men een raamconstructie toe waardoor men ook licht in de nok heeft.

  3. Uitbloeding     Uitslag van zout in het metselwerk. Uitkraging Een constructieonderdeel dat slechts aan 1 zijde wordt opgelegd of ingeklemd.

  4. Uitlevering     Los opgeworpen grond zal een groter volume innemen. Dit is het tegenovergestelde van inklinken.

  5. Uitrapen     Het aanbrengen van een grond- of raaplaag door de stukadoor.

  6. Uittrekken     Aan de hand van het bestek het berekenen van de benodigde hoeveelheden.

  7. Uitvoerder     De aannemers zal niet zelf constant op de bouwplaats aanwezig kunnen zijn. De uitvoerder vertegenwoordigd daarom de aannemer op de bouwplaats en is er verantwoordelijk voor dat de werkzaamheden conform afspraak uitgevoerd worden.  

  8. Uitzetijzer     Een sluitwerk waarmee men een uitzetraam kan openen en dicht- zetten.

  9. Utiliteitsbouw     Naast woningbouw kennen we ook Utiliteitsbouw wat wil zeggen: "Nut", "Bruikbaarheid" bouw. Dit zijn dus gebouwen voor iederereen bruibaar. Bijv. Gemeentehuis, Beurs, Postkantoor, Congresgebouw, Kerk, School, Warenhuis, Restaurant, Kantine enz.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


V

  1. Vakwerkligger     Een liggerconstructie die samengesteld is uit staven die een aaneen- gesloten driehoek vormen. De vakwerkliggers worden in hout of staal vervaardigd en worden toegepast bij grote overspanningen.

  2. Vallende tand     Een tijdelijke trapsgewijze beeindiging van een gemetselde muur.

  3. Valraam     Een raamconstructie waarbij de scharnieren zodanig aan de onder- dorpel bevestigd zijn dat het raam bij het openen achterover aan binnen valt.

  4. Vaste laag     De draagkrachtige laag waar de fundering op rust.

  5. VB Voorschriften Beton.

  6. Veer     Een hardhouten latje dat bij vloerdelen als messing gebruikt kan worden.

  7. Verdeelwapening     Stalen staven die loodrecht op de hoofwapening aangebracht worden om in eerste instantie deze staven op de juiste plaats te houden.

  8. Verdekt nagelen Het aanbrengen van nagels in de messing waardoor deze nagels niet zichtbaar zijn.

  9. Verduurzamen     Conserveren van het materiaal om aantasting te voorkomen.

  10. Verdrijven     Een methode waarbij de traptreden op een bepaalde manier op de  trapbomen afgeschreven worden.

  11. Verf   Verf is een vloeibaar pigment bevattende massa dat in dunne lagen over voorwerpen wordt aangebracht ter bescherming of verfraaiing daarvan en daarop een vaste laag vormt.

  12. Verholen goot     Een nauwelijks zichtbare goot tussen bijvoorbeeld de zijkant van een dakkapel en het dakbeschot en de pannen.

  13. Verloren bekisting     Een bekisting die na het storten achterblijft in het werk. Dit gebeurd als men het desbetreffende constructieonderdeel niet of nauwelijks kan ontkisten.

  14. Versnijding     Het bloksgewijze verspringen van het metselwerk in een gemetselde fundering. Om de paar lagen (blok) verspringt het metselwerk een  klezoor (+/- 55 mm).

  15. Verstek     Een onderlinge verbinding van onderdelen, meestal onder een hoek van 45 graden.

  16. Verstijvingsrib     Een betonnen balk die meegestort wordt op een funderingsstrook indien op staal gefundeerd wordt. Dit wordt toegepast bij een niet homogene grondsamenstelling of bij grote muuropeningen waardoor plaatselijk grote verschillen ontstaan in de belastingoverdracht naar de grond. Men spreekt ook van een fundering op staal met rib.

  17. Vertinnen     Het aanbrengen van een dun laagje specie op het binnenspouwblad in  de spouw. Dit voorkomt het eventuele vochttransport naar binnen.

  18. Vijfsteek     Een op de bouwplaats toegepaste bouwhaak in de verhouding 3 : 4 : 5 Hierbij is 3 de lengte van de korte rechthoekzijde, 4 de lengte van de lange rechthoekzijde en 5 de lengte van de schuine rechthoekzijde. We spreken nu dan ook van de drie-, vier- en vijfsteek.

  19. Visiteerijzer     Een ronde stalen staaf waarmee men op eenvoudige wijze globaal de grondweerstand kan bepalen.

  20. Vlakke deur     Een deur die bestaat uit een vurehouten randwerk met een vulling van bijvoorbeeld karton waar triplexplaten op zijn bevestigd. Deze deuren worden fabrieksmatig vervaardigd.

  21. Vliesgevel Een gevel die bestaat uit een pui die voor de eigenlijke draagconstructie is aangebracht.

  22. Vlijlaag    De werkvloer onder een fundering op staal. Bij een gemetselde fundering bestond deze vlijlaag vroeger uit plat neergelegde stenen.

  23. Voegwerk    De afwerking van voegen tussen metselstenen.

  24. Volle wand     Een wandconstructie die opgebouwd is uit een stijl- en regelwerk en die bekleed is met bijvoorbeeld multiplex. Deze wand heeft een dragende functie en kan ook dienst doen als spantconstructie.

  25. Voorwerkers     De metselstenen in een steensmuur, die in het zicht komen. Voorzetraam Een raamconstructie die men aan de buitenzijde van een kozijnconstruc- tie aanbrengt.

  26. Vorst     De afwerking bij een pannendak van de nok ter plaatse van de ruiter. De  vorst sluit aan weerszijden aan op de bovenste rij pannen.

  27. Vorstgrens     Een minimale aanlegdiepte van de fundering op staal zodat men er zeker van kan zijn dat de grond onder het gebouw niet zal bevriezen.

  28. Volgens de MBV moet dit minimaal 600 mm beneden het maaiveld zijn.

  29. Vorstrand     Een funderingsrib die aan de vloer wordt vast gestort en die tevens zorgt voor de vorstvrije aanleg. Dit wordt o.a. toegepast als begane grondvloer van bijvoorbeeld een berging rechtstreeks op het zand ligt.

  30. Vuilwerk    Metselwerk waarvan het oppervlak later aan het zicht wordt onttrokken door afwerklagen.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


W

  1. Wang     De zijkant van een dakkapel of kast.

  2. Watercementfactor     De verhouding tussen het water en de cement in een betonmengsel,  het aantal kg water gedeeld door het aantal kg cement. Hoe hoger de watercementfactor is des te lager zal de sterkte van het beton zijn.

  3. Waterhol     Een sponning aan de onderzijde van bijvoorbeeld ramen die ervoor zorgt dat het regenwater niet naar binnen kan komen.

  4. Wel     De afstand van voorkant traptrede tot stootbord.

  5. Weldorpel     De onderdorpel van een naar binnen draaiend(e) raam of deur die  dikker wordt gemaakt en aan de onderzijde wordt voorzien van een waterhol. Op deze wijze kan het regenwater goed afgevoerd worden.

  6. Wellat     Een latje waartegen het stootbord bevestigd kan worden. Dit wellatje zit onder een trede.

  7. Welstuk     Bovenste trede van de trap

  8. Welstandscommissie     Ook wel Schoonheidscommissie. Deze beoordeeld estetisch de bouwplannen alsmede de plaats en omgeving.

  9. Welstuk     De bovenste (smallere) traptrede, die aansluit tegen de vloer.

  10. Werkbare dagen    Dagen waarop het weer van dien aard is dat de bouwwerkzaamheden kunnen worden voortgezet. Bij het maken van een bouwplanning wordt uitgegaan van gemiddeld 180 werkbare dagen per jaar. Op de andere dagen wordt niet gewerkt, vanwege vakantie of slecht weer.

  11. Werktekening    Een technische tekening gemaakt door de architect of aannemer waarop de plannen van de bouw of verbouwing tot in detail zijn uitgewerkt. Meestal wordt hiervoor een schaal van 1:20 gehanteerd. Samen met het bestek geeft de werktekening een compleet beeld van hoe het bouwproject eruit gaat zien.

  12. Werkvloer     Een meestal 50 mm dikke laag stampbeton onder de fundering op staal. Op deze laag kan men de wapening stellen.

  13. Windveer     Een plank die vroeger in combinatie met een dekplank / deklijst bij de afwer- king van een pannendak ter plaatse van de topgevel werd toegepast. De dekplank past men tegenwoordig nagenoeg niet meer toe. Men gebruikt hiervoor nu de gevelpan. Deze pan kan rechtstreeks over het  metselwerk, maar ook over een windveer aangebracht worden.

  14. Windverband     Een stabiliteitsverband dat ter verstijving in een dakvlak aangebracht kan worden. Windverbanden worden ook in de gevels (tussen  kolommen) van bijvoorbeeld fabriekshallen toegepast.

  15. Wrijvingsweerstand     De zijdelingse druk die de grond op sondeerbuizen uit kan oefenen. Hiermee kan de positieve kleef bepaald worden.

  16. Wrongstuk     De gebogen delen van een trapboom waarvan de houtdraad zo goed mogelijk de helling van de trap volgt.

 A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


Z

  1. Zadelvorst     In plaats van halfronde nokvorst kan men ook een zadelvorst toepassen. Een zadel- of omloopvorst sluit aan weerszijden in de kopsluitingen van  de holle pannen.

  2. Zadeldak    Dak bestaande uit twee dakvlakken die in een punt op elkaar aansluiten.

  3. Zakgoot     Goot tussen twee hellende dakvlakken.

  4. Zakking     Door het vergroten van de korrelspanning van de grond kan er een ontoe- laatbare zetting optreden waardoor er schade aan de bebouwing zal ont- staan.

  5. Zalinggoot     Een gootconstructie achter een schoorsteen bij een hellend dak.

  6. Zandpaal     Zie drainage.

  7. Zandvang     Een bak met tussenschotten die gebruikt wordt bij het drooghouden van een bouwput. Het water uit de bouwput loopt via de zandvang naar bijvoorbeeld een sloot. Het eventuele zand wordt in de zandvang opge- vangen.

  8. Zeeg     Het bol zetten van bijvoorbeeld stalen liggers. Hierdoor krijgt men een goede afwatering van bijvoorbeeld een groot plat dak en tevens is de doorbuiging van de ligger minder.

  9. Zetting     Het toelaatbaar inklinken van de grond ten gevolge van een hierop  rustende belasting.

  10. Zoomlat Een latje waarop de haaieinden onder een kilgoot rusten. Hierdoor kan men het zink in de goot iets opzetten en tussen de haaieinden en de kilplank klemmen. Het geheel wordt nu nog afgewerkt met een loods- labbe die onder het haaieind en over de zoomlat en het zink aangebracht wordt.

  11. Zwaluwstaartplaten     Omgezette stalen platen die bijvoorbeeld worden toegepast als een bad- kamervloer (steenachtig) op een houten balklaag moet worden aange- bracht. Deze platen vormen de bekisting en de wapening van de aan te brengen betonvloer.

  12.  Zwevende dekvloer     Een afdekvloer die niet rechtstreeks op de ondergrond aangebracht is maar via een veerkrachtige constructie.

  13. Zwieping     Een lat die toegepast wordt bij het verticaal stellen van o.a. metsel- profielen.

A B C D E F G H I K L M N O P R S T U V W Z


- - - - - - -

Zuid Holland, Den Haag, Rotterdam, Delft, Vlaardingen, Leiden, Gouda, Westland, Naaldwijk, Wassenaar.

 

Seo optimalisatie gaande.